Beknopte geschiedenis van Brunssum 

 Brunssum ligt in een gebied waar reeds ver voor het begin van de jaartelling mensen woonden. De Brunssummerheide was voor deze volkeren een geliefde plaats om de urnen van de doden te begraven. Vondsten van stenen werktuigen zijn andere bewijzen dat zij mogelijk ook in Brunssum woonden. Pas met de komst van de Romeinen, rond vijftig jaar voor Christus, krijgen we enige zekerheid dat op de plek van Brunssum mensen woonden. Vondsten van Romeinse graf- resten op de Kruisberg en het gebied Haefland zijn daarvoor bewijzen. Naast landbouw was het afgraven van Brunssumse klei in het heidegebied voor de Romeinse pottenbakkers in Heerlen van groot belang.

Van de vierde tot de elfde eeuw weten we nauwelijks iets over Brunssum. Maar rond het jaar 1050 verschijnen in Brunssum en Schinveld pottenbakkers die van de speciale klei, die hier wordt gevonden, een heel goed soort aardewerk wisten te maken. De huidige wijk Oeloven langs de Rode Beek was het centrum van deze nijverheid. De potten, bekers en kannen uit Brunssum waren zo beroemd omdat zij veel minder poreus (vochtdoorlatend) waren dan alle andere aardewerk van dat moment. Tot ver in Duitsland, Frankrijk, Engeland en zelfs Spanje, Portugal en Noorwegen is dit aardewerk teruggevonden.

 

De eerste vermelding van 'Brunsham' betreft de kerk in de Annales Rodenses in 1150. Deze kerk is in de jaren negentig tijdens opgravingen op de plek van het voormalige Unitas aan de Kerkstraat teruggevonden. Verder weten we uit vondsten van Brunssums aardewerk in heel West-Europa dat de export hiervan tot rond 1350 duurde.

 

Na het verdwijnen van de pottenbakkers werd Brunssum een boerendorp dat rond 1650 ongeveer 600 inwoners had. Hoewel het dorp drie kastelen kende, waren de boeren blijk- baar erg arm, want in de tweede helft van de achttiende eeuw verdienden velen wat geld bij als smid van klein, eenvoudig ijzeren smeedwerk. Dit deden zij in een huisnijverheid die bekend is geworden onder de naam 'Het ambacht van de Eyseren'. Het werkgebied van dit ambacht strekte zich uit over de huidige gemeentes Brunssum, Onderbanken en Schinnen.

Zeker vanaf de veertiende eeuw behoorde de schepenbank Brunssum, bestaande uit de dorpen Brunssum, Schinveld, Jabeek, tot het zogenaamde Land van Valkenburg. Een klein staatje dat onderdeel uitmaakte van de Nederlanden. In 1795 werd dit Land van Valkenburg door Frankrijk ingelijfd. De parochie Brunssum werd op 31 augustus 1796 door de Franse overheid verheven tot gemeente.

 

Na de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 werd Brunssum een plattelandsgemeente, die in de periode 1830-1839 tot België behoorde. Rond 1850 woonden er ongeveer 1000 inwoners in minder dan 300 woningen. Die aantallen waren in 1900 nauwelijks gegroeid.

 

Vlak daarna begon de winning van steenkool in de staatsmijn Hendrik. Toen groeide de bevolking stormachtig tot bijna 30.000. Woonwijken werden uit de grond gestampt en winkelstraten ontwikkelden zich. Brunssum werd een kleine industriestad. In 1967 werd de inmiddels gesloten staatsmijn Hendrik het hoofdkwartier van AFCENT, een onderdeel van de NAVO. Duizenden militairen uit vele West-Europese landen hebben sindsdien met hun gezinnen in Brunssum gewoond. Sinds 2004 draagt dit hoofdkwartier de naam JFC Headquarters Brunssum.

(Bron: De gemeentegids van Brunssum, Wegwijzer).

 

De naam Brunssum  (Bron: Straatnamenboek Wegwijs in Brunssum )

 Waar komt de naam Brunssum vandaan?

Een moeilijke vraag. In de loop van de eeuwen werd de naam op talloze manieren geschreven. Om er maar een paar te noemen: Brumsen (op een kaart van rond 1600), Bronsheim, Bronsheym, Bronsham, Brunsham, Brunsum, Broensoem enz.

 

Hoe het ook zij: we kunnen wel aannemen dat het woord Brunssum bestaat uit twee delen: Bruns of Brons en Um. Het tweede deel is gemakkelijk te achterhalen, gemakkelijker in ieder geval dan het eerste.

"Um" is de afgesleten vorm van het zeer oude achtervoegsel "heim" of "heem", dat woning of woonplaats betekent, een betekenis die het in het huidige dialect nog steeds heeft. Dit achtervoegsel komt voor in vroegmiddeleeuwse bronnen (5e tot 10e eeuw), maar verdwijnt rond het jaar 1000 helemaal.

 

Heel vaak blijken plaatsnamen, die op "heem" of "heim" eindigen, een eerste deel te hebben, dat afgeleid is van heel oude persoonsnamen. Volgens verschillende geleerden is "bruns" afkomstig van Bruno, zodat Brunssum zou betekenen: het heim van Bruno, ofwel Bruno's heim, dat later verbasterd werd tot bv. Brunsham en daarna tot Brunssum.

 

Of "Bruns" iets te maken heeft met "de bronnen", die hier vroeger waren, is twijfelachtig, evenals de afleiding van het woord "Bronspot", de naam van een kruik die vroeger hier gebakken werd. Helaas moeten we besluiten met de constatering dat de naam BRUNSSUM nog voor een groot deel een raadsel blijft. Eén ding staat wel vast: de naam Brunssum is heel oud